handvol

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·vol
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord handvol handvollen
verkleinwoord handjevol
handvolletje
handjevollen
handvolletjes

Zelfstandig naamwoord

handvol v/m

  1. zo veel als in een hand past
    • We moesten hard werken voor een handjevol eten 
  2. klein aantal
    • In het begin waren het er een handvol, nu tientallen. 
    • De politie heeft een handvol tips ontvangen. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.