behendig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen behendig behendiger behendigst
verbogen behendige behendigere behendig
partitief behendigs behendigers -
Woordafbreking
  • be·hen·dig
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van hand met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -ig [1]

Bijvoeglijk naamwoord

behendig [2]

  1. een goede lichaamscoördinatie bezittend
    Hij is een stuk behendiger geworden.
  2. handig, snel, vlug, vaardig
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Antoniemen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
behendig behendiger het behendigst

Bijwoord

behendig

  1. op behendige wijze
    Behendig wist de inbreker de gevel te beklimmen en zich door het openstaande raam te wurmen.
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal