handvat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een emmer met een groen handvat.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·vat
Woordherkomst en -opbouw
  • samenstelling van hand en vat, bij [1] in de betekenis "greep", bij [2] in de betekenis "bewaarplaats voor vloeistof"
[1]* enkelvoud meervoud
naamwoord handvat handvatten
verkleinwoord handvatje handvatjes
[2] enkelvoud meervoud
naamwoord handvat handvaten
verkleinwoord handvaatje handvaatjes

Zelfstandig naamwoord

handvat o

  1. handgreep, het deel van een voorwerp waarmee men het kan verplaatsen, optillen of anderszins hanteren[1]
    Het handvat was afgebroken.
  2. (verouderd) lampetkan, kan met water om de handen te wassen[2]
    ... (nadat de dienaars 't handwater uit een kostelijk handvat gereikt hadden) ...[3]
Verwante begrippen
Opmerkingen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Alkemade, K. van en P. van der Schelling Nederlands displegtigheden, vertoonende de plegtige gebruiken aan den dis (...) Deel 1 (1732) P. Losel, Rotterdam; p. 542; geraadpleegd 2015-02-12