handvat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een emmer met een groen handvat.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·vat
Woordherkomst en -opbouw
[1]* enkelvoud meervoud
naamwoord handvat handvatten
verkleinwoord handvatje handvatjes
[2] enkelvoud meervoud
naamwoord handvat handvaten
verkleinwoord handvaatje handvaatjes

Zelfstandig naamwoord

handvat o

  1. handgreep, het deel van een voorwerp waarmee men het kan verplaatsen, optillen of anderszins hanteren[1]
    • Het handvat was afgebroken. 
  2. (verouderd) lampetkan, kan met water om de handen te wassen[2]
    • ... (nadat de dienaars 't handwater uit een kostelijk handvat gereikt hadden) ... [3]
Verwante begrippen
Opmerkingen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen