uitmaken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitmaken |
maakte uit |
uitgemaakt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
uitmaken
- (overgankelijk) een einde maken aan bijvoorbeeld een relatie
- Ze hebben het na drie jaar toch uitgemaakt.
- (overgankelijk) doven (van vuur)
- Ik heb het vuur uitgemaakt met een flinke puts water.
- (overgankelijk) beslissen, verschil maken
- Wie zal uitmaken of het wel waar is.
- (inergatief) deel ~ van: een onderdeel zijn van iets
- Het Nederlandstalige WikiWoordenboek maakt deel uit van een heel stelsel van WikiWoordenboeken.
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
- De dienst uitmaken