uitmaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van maken met het voorvoegsel uit-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitmaken
maakte uit
uitgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

uitmaken

  1. (overgankelijk) een einde maken aan bijvoorbeeld een relatie
    Ze hebben het na drie jaar toch uitgemaakt.
  2. (overgankelijk) doven (van vuur)
    Ik heb het vuur uitgemaakt met een flinke puts water.
  3. (overgankelijk) beslissen, verschil maken
    Wie zal uitmaken of het wel waar is.
  4. (inergatief) deel ~ van: een onderdeel zijn van iets
    Het Nederlandstalige WikiWoordenboek maakt deel uit van een heel stelsel van WikiWoordenboeken.
Synoniemen
  1. beëindigen
  2. doven
  3. beslissen
Uitdrukkingen en gezegden
  • De dienst uitmaken
Vertalingen