uittreden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| uittreden | uittredend |
| uittreding | uitgetreden |
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·tre·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uittreden |
trad uit |
uitgetreden |
| klasse 5 | volledig | |
Werkwoord
uittreden
- (ergatief) een -met name religieuze- gemeenschap voorgoed verlaten
- Hij is enige tijd geleden uit dat klooster uitgetreden.
- (ergatief) niet langer deelnemen aan een vennootschap
- Nee, mijn andere vennoot trad al enige tijd geleden uit.
- (ergatief) zich terugtrekken uit de arbeidsmarkt
- Hij is vervroegd uitgetreden en geniet van zijn pensioen.
- (ergatief) met de geest het lichaam tijdelijk verlaten
- Je denkt wel dat dat een droom was, maar was je niet uitgetreden?