uittreden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
uittreden uittredend
uittreding uitgetreden
Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·tre·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uittreden
trad uit
uitgetreden
klasse 5 volledig

Werkwoord

uittreden

  1. (ergatief) een -met name religieuze- gemeenschap voorgoed verlaten
    Hij is enige tijd geleden uit dat klooster uitgetreden.
  2. (ergatief) niet langer deelnemen aan een vennootschap
    Nee, mijn andere vennoot trad al enige tijd geleden uit.
  3. (ergatief) zich terugtrekken uit de arbeidsmarkt
    Hij is vervroegd uitgetreden en geniet van zijn pensioen.
  4. (ergatief) met de geest het lichaam tijdelijk verlaten
    Je denkt wel dat dat een droom was, maar was je niet uitgetreden?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen