uittrekken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·trek·ken
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uittrekken |
trok uit |
uitgetrokken |
| klasse 3 | volledig | |
Werkwoord
uittrekken
- (overgankelijk) van je lichaam af halen, kleding afleggen
- Hij had zijn jas uitgetrokken.
- (overgankelijk) uit iets anders trekken
- Om die splinter uit te trekken kun je beter een pincet gebruiken.
- (overgankelijk) een kort overzicht maken van
- Hij had voor zijn examen een hele reeks boeken uitgetrokken.
- (overgankelijk) er tijd of geld voor beschikbaar stellen
- Er werd een week voor uitgetrokken.
- (overgankelijk) lostrekken, wegtrekken
- (ergatief) weggaan uit
- Ze waren dat land uitgetrokken.
Synoniemen
- [1]: ontkleden, uitdoen, uitkleden
- [2]: extraheren, onttrekken
Vertalingen
1. van je lichaam af halen
2. uit iets anders trekken
3. een kort overzicht maken van
|
4. er tijd of geld voor beschikbaar stellen
|