uittrekken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·trek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uittrekken
trok uit
uitgetrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

uittrekken

  1. (overgankelijk) van je lichaam af halen, kleding afleggen
    Hij had zijn jas uitgetrokken.
  2. (overgankelijk) uit iets anders trekken
    Om die splinter uit te trekken kun je beter een pincet gebruiken.
  3. (overgankelijk) een kort overzicht maken van
    Hij had voor zijn examen een hele reeks boeken uitgetrokken.
  4. (overgankelijk) er tijd of geld voor beschikbaar stellen
    Er werd een week voor uitgetrokken.
  5. (overgankelijk) lostrekken, wegtrekken
  6. (ergatief) weggaan uit
    Ze waren dat land uitgetrokken.
Synoniemen
Vertalingen