uitjouwen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·jou·wen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitjouwen |
jouwde uit |
uitgejouwd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
uitjouwen
- (overgankelijk) honend toeroepen
- De toneelspeler werd door het publiek uitgejouwd.