uitjouwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·jou·wen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitjouwen
jouwde uit
uitgejouwd
zwak -d volledig

Werkwoord

uitjouwen

  1. (overgankelijk) honend toeroepen
    De toneelspeler werd door het publiek uitgejouwd.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen