WikiWoordenboek:Werkwoord
Uit WikiWoordenboek
| Lijdend voorwerp |
Lijdende vorm |
Voltooid hulpwerkwoord |
Lemmacode | |||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Overgankelijk | ja | persoonlijk | hebben | ov | ||
| Ditransitief | ja | persoonlijk ook "meewerkend" |
hebben | ditr | ||
| Onovergankelijk | Inergatief | nee | onpersoonlijk | hebben | inerg | intr |
| Ergatief | nee | geen | zijn | erga | ||
| Koppelwerkwoord | nee | geen | zijn | copl | ||
| Wederkerend | zich etc. | geen | hebben | refl | ||
| Onpersoonlijk | nee | geen | hebben | onpr | ||
| Hulpwerkwoord | nee | geen | hebben/zijn/geen | auxl | ||
| Modaal | nee | geen | hebben | modl | ||
Er kunnen naar de functie in een zin een aantal verschillende soorten werkwoorden onderscheiden worden. Hoeveel precies hangt van de taal af, maar voor het Nederlands is er een negental.
Inhoud |
Overgankelijke werkwoorden
Een overgankelijk werkwoord is een werkwoord waarbij een lijdend voorwerp geplaatst kan worden.
Een dergelijk werkwoord kan dan omgezet worden (overgaan) in een lijdende constructie.
In het Nederlands bijvoorbeeld:
- [De man] [slaat] [de hond]
- [onderw] [ov ww] [lijd vw.]
Deze zin kan overgaan in de lijdende vorm. In het Nederlands wordt daartoe het hulpwerkwoord worden gebruikt.
- [De hond] [wordt geslagen] [door de man]
- [onderw] [passief ww] [(dader)]
De lijdende vorm is persoonlijk, dat wil zeggen dat er een onderwerp is (de hond), in dit geval in de derde persoon. Of er ook eerste en tweede personen voorkomen hangt van de betekenis van het werkwoord af. Bij slaan is dat wel het geval:
- Ik word geslagen
- Jullie zijn geslagen
Maar bijvoorbeeld bij vliegen ligt dat anders:
- Deze vliegtuigen worden gevlogen - zij worden gevlogen (derde persoon meervoud)
Ik word gevlogen.(vliegtuigen praten nu eenmaal niet)
Een passieve zin kan ingeleid worden met er, maar er is in de regel wel een (persoonlijk) onderwerp:
- Er worden veel honden geslagen.
Overgankelijke werkwoorden worden in de (bedrijvende) voltooide tijden vervoegd met hebben, in de lijdende met zijn
Dubbele overgankelijkheid
In sommige talen, bijvoorbeeld het Engels, kunnen niet alleen lijdende, maar ook meewerkende voorwerpen gebruikt worden voor de overgang naar een lijdende constructie:
- [John] [gives] [me] [a book]
- [Ondw] [ov ww] [mv] [lijdv]
- A book was given to me by John
- I was given a book by John
In de laatste zin is het meewerkend voorwerp me overgegaan in het onderwerp I. We zouden dit een "meewerkende vorm" kunnen noemen, analoog aan de lijdende vorm die uit het lijdend voorwerp ontstaat.
In het Nederlands is, althans met het hulpwerkwoord worden, deze vorm van overgankelijkheid niet toegestaan. Alleen het lijdend voorwerp [een boek] kan onderwerp worden:
- Aan mij is door John een boek gegeven.
In sommige gevallen is het wel mogelijk met het werkwoord krijgen, dat dan als hulpwerkwoord optreedt een vergelijkbare pseudo-passieve[1] zin te construeren:
- bedrijvend: Zij reikten (aan) hem een prijs uit.
- lijdend: Hem werd een prijs uitgereikt.
- meewerkend: Hij kreeg door hen een prijs uitgereikt.
We zouden dus kunnen stellen dat het Nederlands een eigen hulpwerkwoord voor de "meewerkende vorm" heeft, nl. krijgen.
Referenties
Ergativiteit
Lang niet alle werkwoorden zijn overgankelijk. Deze overige werkwoorden worden wel samengevat onder de term onovergankelijk werkwoord. Dat is echter een wat onnauwkeurige term, zeker in het Nederlands, omdat er een andere vorm van 'overgang' dan naar de lijdende vorm bestaat naar een vorm die men wel de ergativiteit noemt.
Vergelijk:
- (Actief): De man smelt het ijs.
- (Passief): Het ijs wordt door de man gesmolten.
- (Ergatief): Het ijs smelt.
Zowel passief als ergatief is ijs het onderwerp geworden, maar in de laatste zin is er geen 'dader'. Het proces verloopt vanzelf en is niemands 'schuld'. Smelten is in dat geval een ergatief of niet-accusatief werkwoord. Wat het lijdend voorwerp was van het overgankelijke werkwoord (het ijs) is nu het onderwerp (net als in de lijdende zin) maar er is geen dader, geen lijdend voorwerp en geen hulpwerkwoord worden. In het Nederlands komt dit soort werkwoorden veel voor.
Zijn versus hebben
Een kenmerk van ergatieven is dat zij in de voltooide tijden vervoegd worden met zijn in plaats van hebben:
- (Actief): De man heeft het ijs gesmolten.
- (Passief): Het ijs is door de man gesmolten
geworden. - (Ergatief): Het ijs is gesmolten.
Er zijn in het Nederlands ook onovergankelijke werkwoorden die hebben nemen in de voltooide tijd. Zij worden inergatieven genoemd en hieronder besproken. Niet alle talen maken overigens dit onderscheid in hulpwerkwoord. In het Engels is het bijvoorbeeld has melted en is het verschil tussen ergatief en inergatief minder duidelijk. Daarom is er ook een lemmacode intr voor onovergankelijk.
Het hulpwerkwoord van de passieve constructie is ook zijn in het Nederlands, omdat worden nu eenmaal zijn als hulpwerkwoord neemt. We zouden kunnen zeggen: worden is ook ergatief, hoewel het zelfstandig gebruikt eerder een koppelwerkwoord is. Maar ook koppelwerkwoorden nemen meestal zijn. Het voorbeeld laat echter wel zien dat er een verband is tussen passief en ergatief. Laat de 'dader' weg en passief en ergatief zijn identiek.
Welke werkwoorden zijn ergatief?
Smelten is een voorbeeld van een werkwoord dat zowel overgankelijk als ergatief gebruikt kan worden, maar er zijn ook werkwoorden die alleen ergatief zijn, zoals werkwoorden die een beweging uitdrukken: gaan of een proces: stollen.
- Ik ga naar school.
- Ik ben naar school gegaan.
- Het vet stolt
- Het vet is gestold
Nu lijkt wel wel of bij gaan er een 'dader' is, immers 'ik' doe mijzelf immers de gang naar school aan? Maar vergelijk bijvoorbeeld zinnen als:
- De man ging dood
- Hoe is het gegaan?
- De deur ging dicht.
Het 'vanzelf'-aspect van gaan is hier veel duidelijker.
Ergatieve werkwoorden hebben geen lijdend voorwerp en zijn strikt onovergankelijk, maar het hulpwerkwoord laten kan gebruikt worden om van een ergatief een actieve constructie te maken:
- Het vet stolt.
- Ik laat het vet stollen.
Soms zijn van oorsprong overgankelijke werkwoorden ergatief geworden, bijvoorbeeld als zij een beweging uitdrukken:
- Hij is hem gesmeerd.
Het woord 'hem' was oorspronkelijk een lijdend voorwerp van het normaal gesproken overgankelijke werkwoord smeren, maar is nu onderdeel van een staande uitdrukking die als ergatief werkwoord gebruikt wordt.
Omdat ergatieven geen dader kennen zijn zij de werkwoorden van de onschuld. Zonder dader kan immers niemand de schuld krijgen? Dit aspect is vrij sterk in het Nederlands we zorgt ervoor dat sommige op zich overgankelijke werkwoorden die iets te maken hebben met 'acties' als vergeten of verliezen -waar de 'dader' zich niet al te verantwoordelijk voor voelt, het gaat immers vanzelf?- behandeld worden alsof zij ergatieven zijn. Je krijgt dan zinnen als:
- Ik vergeet mijn boek (overgankelijk)
- Ik ben mijn boek vergeten (toch zijn!)
- Dit raakt onherroepelijk kwijt (ergatief)
- Zie je wel, het is kwijtgeraakt (ergatief)
- Ik ben mijn boek kwijtgeraakt (actief gebruikt, maar wel zijn..)
Koppelwerkwoorden
Talen hebben meestal een klein aantal werkwoorden -die echter veel gebruikt worden- die niet een onderwerp en een voorwerp verbinden, maar een onderwerp en een soort tweede onderwerp, in het Nederlands meestal aangeduid als het naamwoordelijk deel van het gezegde. Verreweg het bekendste voorbeeld is zijn:
- Hij is een piloot.
- [Ond.] = [naamwoordelijk deel]
Het naamwoord kan zowel zelfstandig als bijvoeglijk zijn.
Er is een zekere verwantschap met ergatieven. Er is bijvoorbeeld geen lijdend voorwerp of lijdende vorm en in het Nederlands krijgen de voltooide vormen meestal zijn:
- Dat is niet juist gebleken.
De van blijven afgeleide werkwoorden, zoals verblijven, achterblijven enz. zijn allemaal ergatief.
Inergatieven
Lang niet alle Nederlandse onovergankelijke werkwoorden zijn ergatief. Een voorbeeld:
- De hond blaft.
Er is geen lijdend voorwerp, maar wel een dader (het blaffen gebeurt niet vanzelf) en de voltooide tijd heeft hebben:
- De hond heeft geblaft.
Er is zelfs een lijdende constructie, zij het dat het onderwerp ontbreekt en de zin ingeleid wordt met er:
- Er wordt geblaft.
Een dergelijke constructie is bij gebrek aan onderwerp onpersoonlijk, maar er kan wel een 'dader' aangegeven worden:
- Er wordt door honden vaak geblaft.
Inergatieven zijn dus niet strikt 'onovergankelijk' zoals de ergatieven, maar eerder 'beperkt overgankelijk'.
In andere talen ligt dat soms anders. In het Engels bijvoorbeeld heeft to bark geen onpersoonlijke lijdende vorm. In deze taal is het vaak beter het onderscheid tussen ergatieven en inergatieven niet te maken en van onovergankelijke werkwoorden te spreken.
Wederkerende werkwoorden
Een wederkerend werkwoord is een werkwoord waarbij de handelende persoon tevens het voorwerp van de handeling is.
Er zijn twee soorten werkwoorden die met een wederkerend voornaamwoord als zich voorkomen. Bij sommige is sprake van verplichte wederkerendheid: het werkwoord heeft altijd "zich", zoals "zich vergissen". Bij andere is het wederkerend voornaamwoord niet verplicht, bijv. "de auto wassen" en "zich wassen" is allebei mogelijk. In dit geval kan zich ook vervangen worden door zichzelf.
De eigenlijke (verplichte) wederkerende werkwoorden nemen een soort tussenpositie in tussen de bedrijvende en lijdende vorm.
In sommige talen zoals Oudgrieks bestaat daarvoor dan ook een aparte vorm naast de bedrijvende en lijdende, het medium. In andere talen zoals Deens of Russisch is het wederkerend voornaamwoord vastgegroeid aan het werkwoord en deze vormen hebben vaak een lijdende betekenis.
In het Nederlands worden wederkerende werkwoorden in de voltooide tijden met hebben vervoegd, maar in het Frans is het bijvoorbeeld met être (zijn). Er is dan ook een verwantschap met de ergatieven.
In plaats van een ergatieve vorm hebben sommige overgankelijke Nederlandse werkwoorden een wederkerende vorm naast zich. Een voorbeeld is verspreiden:
- overgankelijk: Ratten verspreiden deze ziekte.
- wederkerend: De ziekte verspreidt zich.
In andere talen worden Nederlandse ergatieven soms vertaald door wederkerende werkwoorden, bijvoorbeeld in het Frans:
- het smelt - il se fond
Vorming
- Nederlands: wordt gevormd door "zich" voor het hele werkwoord te zetten, bijvoorbeeld "zich verheugen" en "zich verdrinken".
- Frans: wordt gevormd door "se" voor het hele werkwoord te zetten, bijvoorbeeld "se lever" en "se noyer".
- Duits: wordt gevormd door "sich" voor het hele werkwoord te zetten, bijvoorbeeld "sich krausen" en "sich kümmern".
- Spaans: wordt gevormd door "se" áchteraan het werkwoord te zetten, bijvoorbeeld "ahogarse" en "rizarse".
- Russisch: wordt gevormd door "ся" (of "сь" na klinker) achter het werkwoord te voegen.
Onpersoonlijke werkwoorden
Een onpersoonlijk werkwoord is een werkwoord waarbij nooit een echt onderwerp kan staan, omdat het geen handeling, gebeurtenis of toestand van een bepaalde persoon, plaats of zaak beschrijft. Het gaat meestal om de uitdrukking van:
- natuurverschijnselen (vb.: "Het stormt.")
- gevoelens (vb.: "Het spijt mij.")
Zij kennen als enige persoonlijke (bepaalde) vorm een derde persoon enkelvoud met een onbepaald voornaamwoord het of zij komen zonder onderwerp voor. Weersgesteldheden als regenen en dooien zijn goede voorbeelden, maar ook een werkwoord als dunken behoort tot dit soort werkwoorden. In het Middelnederlands waren er veel meer dan in het huidige Nederlands.
Deze werkwoorden nemen hebben in de voltooide tijden maar er is meestal geen enkele lijdende vorm.
In talen waar een onderwerp noodzakelijk is, gebruikt men meestal een loos onderwerp om de leemte op te vullen. In het geval van het Nederlands gaat het om het woord het:
- Het regent.
In zeldzame gevallen wordt er in het Nederlands geen loos onderwerp toegepast. De bijzin is bij zulke uitdrukkingen immers al het onderwerp:
- Me dunkt dat hij een geschenk verdient.
Bij uitzondering kunnen onpersoonlijke werkwoorden ook persoonlijk gebruikt worden, meestal in dichterlijk getint taalgebruik:
- Het bliksemt en dondert.
- Zijn ogen bliksemden.
Hulpwerkwoorden
Dit zijn werkwoorden die gebruikt worden als onderdeel van de vervoeging van andere werkwoorden, zoals hebben, zijn, wezen, worden, zullen. Indien het werkwoord alleen als hulpwerkwoord gebruikt wordt zoals "zullen" kan de voltooide tijd geheel ontbreken en heeft het werkwoord noch lijdend voorwerp noch lijdende vorm.
Ook laten en doen kunnen als hulpwerwoord beschouwd worden omdat zij gebruikt worden om ergatieven om te zetten in een actieve (causatieve) constructie:
- ergatief: Het ijs smelt
- actief: De zon doet het ijs smelten.
In het oude Germaans ging dat niet met een hulpwerkwoord maar door een klinkerverandering en daar is in het Nederlands nog een paar resten van aan te treffen, bijv:
- liggen (ergatief) - leggen (causatief: doen liggen)
- zitten (ergatief) - zetten (causatief: doen zitten)
Modale werkwoorden
Een bijzondere vorm van hulpwerkwoorden zijn de modale werkwoorden zoals kunnen, mogen, moeten enz. Zij voegen een bijbetekenis (modaliteit) aan het gezegde toe van vermogen, toestemming, dwang enz. Deze werkwoorden zijn vaak onregelmatig, hebben meestal zelf geen lijdend voorwerp of lijdende vorm. Zij worden meestal met hebben vervoegd maar vervangen vaak het voltooid deelwoord door de infinitief.
Externe links
- Persoonlijke en onpersoonlijke werkwoorden in de Algemene Nederlandse Spraakkunst.
- Impersonal verb in de Engelstalige Wikipedia.
- Ergativiteit