uitgaan
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·gaan
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitgaan |
ging uit |
uitgegaan |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
uitgaan
- (ergatief) ophouden met branden
- De vlam van de kaars ging uit door een sterke bries.
- (ergatief) klaar zijn met school en weg mogen
- Toen de school uitging, moesten we gelijk de stad in omdat de winkels anders dicht waren.
- (ergatief) naar de bar, disco of restaurant gaan
- We gaan met z'n drieën uit in plaats van met z'n allen.
- (ergatief) naar buiten gaan
- We moesten eerst het gebouw uitgaan voordat we mochten roken.
- (ergatief) ~ van: als vertrekpunt van een redenering nemen
- Hij ging uit van hun goed bedoelingen.
- (ergatief) ~ van: zijn oorsprong vinden
- Die actie gaat uit van een andere organisatie.
- (ergatief) ~ naar als focus van de gedachten dienen
- Ons medeleven gaat uit naar de nabestaanden.
Synoniemen
- [1] doven
Vertalingen
1. ophouden met branden
3. naar de bar, disco of restaurant gaan