uitgaan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·gaan
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitgaan
ging uit
uitgegaan
klasse 7 volledig

Werkwoord

uitgaan

  1. ophouden met branden
    De vlam van de kaars ging uit door een sterke bries.
  2. klaar zijn met school en weg mogen
    Toen de school uitging, moesten we gelijk de stad in omdat de winkels anders dicht waren.
  3. naar de bar, disco of restaurant gaan
    We gaan met z'n drieën uit in plaats van met z'n allen.
  4. naar buiten gaan
    We moesten eerst het gebouw uitgaan voordat we mochten roken.
Synoniemen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen