uitscheiden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·schei·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitscheiden
scheed uit
scheidde uit
uitgescheden
uitgescheiden
klasse 7

gemengd

volledig

Werkwoord

uitscheiden

  1. (ergatief) ~ met ergens mee ophouden
    Gelukkig scheed hij uit met die herrie.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitscheiden
scheidde uit
uitgescheiden
gemengd volledig

Werkwoord

uitscheiden

  1. (overgankelijk) een stof het lichaam laten verlaten
    Was wordt door bijen uitgescheiden.
Vertalingen