uitzien
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·zien
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitzien /'œy̆t.sin/ |
zag uit /zɑχ 'œy̆t/ |
uitgezien /'œy̆t.χə.ˌzin/ |
| klasse 5 | volledig | |
Werkwoord
uitzien
- een zekere aanblik hebben
- Jij ziet er prachtig uit.
- een verlangen koesteren
- Daar zie ik echt naar uit.