uithangen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·han·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uithangen
hing uit
uitgehangen
klasse 7 volledig

Werkwoord

uithangen

  1. (overgankelijk) iets ruim ophangen
    We moesten de was uithangen om deze te laten drogen.
  2. (figuurlijk) ergens verblijven