uitoefenen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·oe·fe·nen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitoefenen |
oefende uit |
uitgeoefend |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
uitoefenen
- (overgankelijk) in praktijk brengen
- Hij oefende daarmee een recht uit waar nog zelden gebruik van gemaakt was.