uitoefenen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·oe·fe·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitoefenen
oefende uit
uitgeoefend
zwak -d volledig

Werkwoord

uitoefenen

  1. (overgankelijk) in praktijk brengen
    Hij oefende daarmee een recht uit waar nog zelden gebruik van gemaakt was.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen