uitbannen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ban·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitbannen
bande uit
uitgebannen
gemengd volledig

Werkwoord

uitbannen

  1. (overgankelijk) iets uitdrijven of wegjagen
    Wij hebben de duivel hier volledig uitgebannen.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen