uitschakelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·scha·ke·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitschakelen |
schakelde uit |
uitgeschakeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
uitschakelen
- (overgankelijk) buiten competitie stellen
- Onze ploeg werd pas in de finale uitgeschakeld.
- (overgankelijk) door andere schakeling deactiveren
- Het toestel was al uitgeschakeld.
Synoniemen
- [2] afschakelen, uitzetten
Antoniemen
- [2] inschakelen
Vertalingen
2.door andere schakeling deactiveren