uitschakelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·scha·ke·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitschakelen
schakelde uit
uitgeschakeld
zwak -d volledig

Werkwoord

uitschakelen

  1. (overgankelijk) buiten competitie stellen
    Onze ploeg werd pas in de finale uitgeschakeld.
  2. (overgankelijk) door andere schakeling deactiveren
    Het toestel was al uitgeschakeld.
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen