uitlaat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·laat
enkelvoud meervoud
naamwoord uitlaat uitlaten
verkleinwoord uitlaatje uitlaatjes

Zelfstandig naamwoord

uitlaat m

  1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden (vloeistof, damp of gas)
    De uitlaat zat verstopt.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
uitlaten

uitlaat

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitlaten
    ... dat ik uitlaat.
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitlaten
    ... dat jij uitlaat.
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitlaten
    ... dat hij uitlaat.

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen