uitlaat
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·laat
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | uitlaat | uitlaten |
| verkleinwoord | uitlaatje | uitlaatjes |
Zelfstandig naamwoord
uitlaat m
- een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden (vloeistof, damp of gas)
- De uitlaat zat verstopt.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
- uitlaatdemper, uitlaatemissie, uitlaatgas, uitlaatgasanalysator, uitlaatklep, uitlaatpijp, uitlaatslag, uitlaatspruitstuk, uitlaattegendruk
Vertalingen
1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| uitlaten |
uitlaat
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitlaten
- ... dat ik uitlaat.
- (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitlaten
- ... dat jij uitlaat.
- (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitlaten
- ... dat hij uitlaat.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.