uitlaten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • uit·la·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitlaten
liet uit
uitgelaten
klasse 7 volledig

Werkwoord

(scheidbaar)
uitlaten

  1. iemand ~: iemand het huis uit begeleiden
    Laat jij de gasten even uit?
  2. iets ~: een huisdier –meest een hond- naar buiten laten
    De hond wordt altijd 's avonds nog even uitgelaten.
  3. zich ~ over: een uitspraak ergens over doen
    De bewindsman liet zich hier niet over uit.

Zelfstandig naamwoord

uitlaten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord uitlaat
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen