uitlaten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[2] De hond uitlaten.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·la·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van laten met het voorvoegsel uit-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitlaten
liet uit
uitgelaten
klasse 7 volledig

Werkwoord

uitlaten

  1. (overgankelijk) iemand ~: iemand het huis uit begeleiden
    Laat jij de gasten even uit?
  2. (overgankelijk) iets ~: een huisdier –meest een hond- naar buiten laten
    De hond wordt altijd 's avonds nog even uitgelaten.
  3. (wederkerend) zich ~ over: een uitspraak ergens over doen
    De bewindsman liet zich hier niet over uit.

Zelfstandig naamwoord

uitlaten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord uitlaat