uitlaten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- uit·la·ten
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitlaten |
liet uit |
uitgelaten |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
uitlaten
- (overgankelijk) iemand ~: iemand het huis uit begeleiden
- Laat jij de gasten even uit?
- (overgankelijk) iets ~: een huisdier –meest een hond- naar buiten laten
- De hond wordt altijd 's avonds nog even uitgelaten.
- (wederkerend) zich ~ over: een uitspraak ergens over doen
- De bewindsman liet zich hier niet over uit.
Zelfstandig naamwoord
uitlaten mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord uitlaat