uitrusten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • uit·rus·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitrusten
rustte uit
uitgerust
zwak -t volledig

Werkwoord

uitrusten

  1. (overgankelijk) (militair), (scheepvaart) één of meer personen, vaar- of voertuigen e.d. voorzien van de benodigdheden voor een taak, expeditie of reis
    De vloot werd uitgerust met een nieuw radarsystem.
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitrusten
rustte uit
uitgerust
zwak -t volledig

Werkwoord

uitrusten

  1. (inergatief)zich ontspannen na vermoeiende of langdurige bezigheden
    We zijn bijna bij het bivak waar we kunnen uitrusten.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen