uitrusten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- uit·rus·ten
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitrusten |
rustte uit |
uitgerust |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
uitrusten
- (overgankelijk) (militair), (scheepvaart) één of meer personen, vaar- of voertuigen e.d. voorzien van de benodigdheden voor een taak, expeditie of reis
- De vloot werd uitgerust met een nieuw radarsystem.
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitrusten |
rustte uit |
uitgerust |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
uitrusten
- (inergatief)zich ontspannen na vermoeiende of langdurige bezigheden
- We zijn bijna bij het bivak waar we kunnen uitrusten.