achteruit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter·uit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord achteruit -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

achteruit m

  1. (techniek) een versnelling die een mechaniek in achterwaartse richting doet teruglopen
    Als je hem in z'n achteruit wilt zetten moet je de pook naar beneden drukken.

Bijwoord

achteruit

  1. naar achteren gericht, in achterwaartse richting
  2. in ongunstige richting.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen