uitgang

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·gang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitgang uitgangen
verkleinwoord uitgangetje uitgangetjes

Zelfstandig naamwoord

uitgang m

  1. een weg waarlangs men een ruimte verlaten kan
    De uitgang werd bewaakt door een bewaker.
Antoniemen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen