de

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: De

Nederlands

Naar frequentie 4
Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: die
Oudnederlands: thie, thia
Germaans: *sa
Indo-Europees: *só
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: the, that, those (Angelsaksisch: sē), Duits: der, (Oudhoogduits: dēr), Fries: de, dy (Oudfries: thī)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: den, det, de (Nynorsk: det, dei, Oudnoors: sá), IJslands: sá, Faeröers: tann, tað, sá
Oost: Gotisch: sa

Lidwoord

de

  1. een bepaald lidwoord dat wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke bepaalde zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en altijd voor het meervoud, waarbij het een specifieke persoon of ding aanduidt in plaats van het algemene geval
Verwante begrippen
Citaten

De man; de vrouw; de boeken

Vertalingen


Catalaans

Uitspraak

Voorzetsel

de

  1. van


Frans

Uitspraak

Voorzetsel

de

  1. van


Fries

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Lidwoord

de

  1. de
Schrijfwijzen


Iers

vorm van
de
Nadrukkelijke
vorm van
de
van mij díom díomsa
van jou díot díotsa
van hem, er
van haar, er
de
di
desean
dise
van ons dínn dínne
van jullie díbh díbhse
van hen, er díobh díobhsan

Voorzetsel

de + lenitie

  1. van


Latijn

Voorzetsel

+ ablatief

  1. (van plaats)
    1. van, uit, van...uit.
    «de castris procedere»
    uit het legerkamp weggaan
    1. van...af
    «de vehiculo dicebat»
    hij zei vanaf de wagen
  2. (van tijd)
    1. onmiddellijk na.
    «statim de auctione venire»
    meteen na de veiling komen
    1. nog in de loop van, nog tijdens.
    «de nocte venire»
    nog tijdens in de nacht komen
  3. (afstamming)
    1. van
  4. (delen van een geheel aanduidend)
    1. van, uit.
    «unus de multis milibus
    een van de vele soldaten
  5. (een zaak aanduiden waaruit iets anders is ontstaan)
    1. uit, van.
  6. (een geldbron aanduidend)
    1. uit, van.
    «de publico»
    uit de staatskas
  7. (causaal)
    1. wegens, door, om.
    «qua de causa»
    om welke reden
  8. overeenkomstig, naar.
    «de mea sententia»
    overeenkomstig mijn straf
  9. betreffende
    «de ceteris»
    betreffende het overige

Voorvoegsel

de

  1. af-, weg-.
  2. neer, af-.
  3. on-, ont- (als iets ontbreekt).
  4. volledig, zeer.


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /ðɐ/ (Etsbergs), /də/ (Maastrichts)
Woordherkomst en -opbouw
  • Verzwakte vorm van d'r

Lidwoord

de

  1. de, het.
Verbuiging
  • [1] Deze vormen zijn buiten gebruik geraakt.

Persoonlijk voornaamwoord

de

  1. onbeklemtoonde accusatief van doe.
enkelvoud meervoud
bepaald geheel de der
gemut. te ter
onbepaald geheel de de
gemut. te te

Voorzetsel

de (+datief)

  1. Per.
    «Det kömp drèè de daag.»
    Dat kost drie euro per dag.
Synoniemen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • de
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse voornaamwoord þeir
Naar frequentie 23

Aanwijzend voornaamwoord

de

  1. deze, die
Synoniemen
  • deres (genitiefvorm)
  • dem (accusatiefvorm, vorwerpsvorm)

Onbepaald voornaamwoord

de

  1. zij, ze

Persoonlijk voornaamwoord

de

  1. (3e persoon meervoud) zij
Schrijfwijzen
  • De (beleefdheidsvorm)
Synoniemen
  • deres (genitiefvorm)
  • dem (accusatiefvorm, vorwerpsvorm)
  • Dem (accusatiefvorm, vorwerpsvorm van de beleefdheidsvorm)

De Noorse persoonlijke voornaamwoorden (in het bokmål)

hoeveelheid / speciale geval persoon woordgeslacht en delgroepen onderwerp (nominatief) voorwerp (accusatief) Nederlands (nominatief)
enkelvoud 1.  
jeg
meg
ik
2.  
du
deg
jij
3. mannelijk :
personen
dingen

han
den

han / ham
den
hij
vrouwelijk :
personen
dingen

hun
den

henne
den
zij
onzijdig
det
det
het
meervoud 1.  
vi
oss
wij
2.  
dere
dere
jullie
3.  
de
dem
zij
beleefdheidsvorm 2.  
De
Dem
U, u

Voorzetsel

de

  1. (in uit het Frans ontleende frasen) de
  2. (in uit het Latijn ontleende frasen) de
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • de
Woordherkomst en -opbouw

Persoonlijk voornaamwoord

de

  1. (2e persoon meervoud) jullie
Schrijfwijzen
  • De (beleefdheidsvorm)
Synoniemen
  • dykkar (genitiefvorm)
  • dykk (accusatiefvorm, vorwerpsvorm)
  • Dykk (accusatiefvorm, vorwerpsvorm van de beleefdheidsvorm)

De Nynorske persoonlijke voornaamwoorden

hoeveelheid / speciale geval persoon woordgeslacht en delgroepen onderwerp (nominatief) voorwerp (accusatief) Nederlands (nominatief)
enkelvoud 1.  
eg
meg
ik
2.  
du
deg
jij
3.
mannelijk
han
han / honom
hij
vrouwelijk
ho
ho / henne
zij
onzijdig
det
det
het
meervoud 1.  
vi
oss
wij
2.  
de
dykk
jullie
3.  
dei
dei
zij
beleefdheidsvorm 2.  
De
Dykk
U, u

Voorzetsel

de

  1. (in uit het Frans ontleende frasen) de
  2. (in uit het Latijn ontleende frasen) de
Afgeleide begrippen


Roemeens

Voorzetsel

de

  1. van, uit, over, als


Spaans

Uitspraak

Voorzetsel

de

  1. van


Tok Pisin

Zelfstandig naamwoord

de

  1. dag


Vietnamees

Zelfstandig naamwoord

de

  1. cinnamomum, kaneelboom


Volapük

Voorzetsel

de

  1. van


Xhosa

Voegwoord

de

  1. totdat


Zweeds

Persoonlijk voornaamwoord

de

  1. ze, zij (meervoud)
Verwijzingen
  1. de in het Woordenboek der Friese Taal