uiten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ui·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van uit.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uiten
uitte
geuit
zwak -t volledig

Werkwoord

uiten

  1. (wederkerend) zich ~: uiting geven aan gevoelens
    Hij had vaak moeite zich te uiten.
  2. (overgankelijk) zeggen
    Hij uitte een schreeuw.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen