uitrekenen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·re·ke·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitrekenen
rekende uit
uitgerekend
zwak -d volledig

Werkwoord

uitrekenen

  1. (overgankelijk) door berekening iets bepalen
    Ik heb uitgerekend dat we ons volgend jaar een nieuwe auto kunnen veroorloven.