uitrekenen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·re·ke·nen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitrekenen |
rekende uit |
uitgerekend |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
uitrekenen
- (overgankelijk) door berekening iets bepalen
- Ik heb uitgerekend dat we ons volgend jaar een nieuwe auto kunnen veroorloven.