uithalen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ha·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van halen met het voorvoegsel uit-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uithalen
haalde uit
uitgehaald
zwak -d volledig

Werkwoord

uithalen

  1. (iets ~) een opmerkelijke daad plegen
    Hij heeft weer flink kattenkwaad uitgehaald.
  2. (iets ~) een brei- of haakwerkje ontdoen
    Ik heb een stuk weer uitgehaald omdat ik een steek had laten vallen.
  3. (~ naar) een slag doen, al of niet overdrachtelijk
    De dominee van de kandidaat haalde flink naar zijn eigen kerkgenoot uit.
Uitdrukkingen en gezegden

naar iemand uithalen

Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen