uithalen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·ha·len
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uithalen |
haalde uit |
uitgehaald |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
uithalen
- (iets ~) een opmerkelijke daad plegen
- Hij heeft weer flink kattenkwaad uitgehaald.
- (iets ~) een brei- of haakwerkje ontdoen
- Ik heb een stuk weer uitgehaald omdat ik een steek had laten vallen.
- (~ naar) een slag doen, al of niet overdrachtelijk
- De dominee van de kandidaat haalde flink naar zijn eigen kerkgenoot uit.
Uitdrukkingen en gezegden
naar iemand uithalen
Vertalingen
2. een brei- of haakwerkje ontdoen
naar iemand uithalen
|