uitdelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·de·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van delen met het voorvoegsel uit-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitdelen
deelde uit
uitgedeeld
zwak -d volledig

Werkwoord

uitdelen

  1. (overgankelijk) meerdere personen ergens op trakteren
    Op zijn verjaardag deelde Joost chips uit.
Uitdrukkingen en gezegden

een (flinke) klap uitdelen

Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen