uitroepen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·roe·pen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitroepen |
riep uit |
uitgeroepen |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
uitroepen
- officieel verklaren
- Hendrik VIII riep zichzelf uit tot hoofd van de Engelse kerk.
- De vakbond riep een staking uit.
- uit emotie luid roepen
- 'Wat een onzin!', roept hij geërgerd uit.
Synoniemen
- [1] proclameren
Vertalingen
1. officieel verklaren
Zelfstandig naamwoord
uitroepen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord uitroep