uitleggen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·leg·gen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitleggen |
legde uit |
uitgelegd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
uitleggen
- (ditransitief) iets doen begrijpen
- De leraar ging de leerstof aan de leerlingen uitleggen.
- (overgankelijk) iets groter, langer of ruimer maken
- Hij zou dat kledingstuk voor ons uitleggen.
- (overgankelijk) iets leggend uitspreiden
- Zij ging gisteren de loper uitleggen voor de directeur van het bedrijf.
Synoniemen
Vertalingen
1. iets doen begrijpen
2. iets groter, langer of ruimer maken