uiterlijk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- ui·ter·lijk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | uiterlijk | uiterlijken |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
uiterlijk o
- zoals iets of iemand er van buiten uitziet
Antoniemen
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | uiterlijk |
| verbogen | uiterlijke |
Bijvoeglijk naamwoord
uiterlijk
- betrekking hebbend op de buitenkant van iets of iemand
- Een uiterlijk kenmerk van deze vogelsoort is een rode stuit.
- het laast nog aanvaardbare
- Dit id de uiterlijke datum van inzending.
Bijwoord
uiterlijk
- het laast nog aanvaardbare
- Dit moet uiterlijk op 1 juni ingezonden zijn.