uitstellen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·stel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitstellen
stelde uit
uitgesteld
zwak -d volledig

Werkwoord

uitstellen

  1. (overgankelijk) naar een later tijdstip verschuiven
    De vergadering werd wegens de sneeuwstorm enige dagen uitgesteld.
Typische woordcombinaties
  • iets met een jaar uitstellen
Vertalingen