uitstoten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·sto·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitstoten |
stootte uit |
uitgestoten |
| gemengd | volledig | |
Werkwoord
uitstoten
- (overgankelijk) uit een groep doen weggaan
- Op een zekere leeftijd worden mannetjesolifanten uitgestoten uit de kudde.
- (overgankelijk) (milieukunde) in het milieu vrijlaten
- Er werd bij dat proces vrij veel kwik en cadmium uitgestoten.