uitvoer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·voer
enkelvoud meervoud
naamwoord uitvoer -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

uitvoer m

  1. (economie) de verkoop van goederen aan het buitenland
    De uitvoer van Duitse goederen was door de lage euro flink gestegen.
  2. het verwerkelijken van iets
    Daarmee was het overbodig geworden het plan ten uitvoer te brengen.
  3. (informatica) naar buiten gebrachte informatie vanuit een applicatie
    De uitvoer is in drie exportformaten (PDF, Excel en ASCII) beschikbaar.
  4. (techniek) een leiding die een vloeistof of gas naar buiten leidt
    De uitvoer van het afwaswater zat verstopt, wat tot een kleine overstroming leidde.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: het vonnis ten uitvoer leggen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
uitvoeren

uitvoer

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitvoeren
    ... dat ik uitvoer.

Werkwoord

vervoeging van
uitvaren

uitvoer

  1. (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van uitvaren
    ... dat ik uitvoer.
    ... dat jij uitvoer.
    ... dat hij, zij, het uitvoer.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen