uitvoer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·voer
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | uitvoer | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
uitvoer m
- (economie) de verkoop van goederen aan het buitenland
- De uitvoer van Duitse goederen was door de lage euro flink gestegen.
- het verwerkelijken van iets
- Daarmee was het overbodig geworden het plan ten uitvoer te brengen.
- (informatica) naar buiten gebrachte informatie vanuit een applicatie
- De uitvoer is in drie exportformaten (PDF, Excel en ASCII) beschikbaar.
- (techniek) een leiding die een vloeistof of gas naar buiten leidt
- De uitvoer van het afwaswater zat verstopt, wat tot een kleine overstroming leidde.
Synoniemen
- [1]: export
Antoniemen
- [1, 3, 4]: invoer
Afgeleide begrippen
- [1]: uitvoerbeperking
Uitdrukkingen en gezegden
- [2]: het vonnis ten uitvoer leggen
Vertalingen
het vonnis ten uitvoer leggen
|
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| uitvoeren |
uitvoer
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitvoeren
- ... dat ik uitvoer.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| uitvaren |
uitvoer
- (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van uitvaren
- ... dat ik uitvoer.
- ... dat jij uitvoer.
- ... dat hij, zij, het uitvoer.
- ... dat ik uitvoer.