uitdagen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·da·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitdagen
daagde uit
uitgedaagd
zwak -d volledig

Werkwoord

uitdagen

  1. (overgankelijk) iemand met woord of daad tot actie prikkelen
    Smalend daagde hij zijn tegenstander uit tot een partijtje armpjedrukken.
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen