uitdagen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·da·gen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitdagen |
daagde uit |
uitgedaagd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
uitdagen
- (overgankelijk) iemand met woord of daad tot actie prikkelen
- Smalend daagde hij zijn tegenstander uit tot een partijtje armpjedrukken.
Vertalingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.