in
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Lettergrepen
- in
Voorzetsel
- in
- 1. iets dat iets anders bevat: binnen
- Het servies staat in de kast.
- Ik woon al twintig jaar in Utrecht.
- 2. gedurende, tijdens
- gedurende een gehele periode, of gewoonlijk tijdens een periode:
- In de zomer dragen veel mensen een zonnebril.
- In het weekend zijn we op de camping.
- op enig moment binnen een periode:
- Hij werd geboren in 1985.
- binnen een periode, in minder tijd dan een periode:
- Ze is in drie weken vier kilo afgevallen.
- gedurende een gehele periode, of gewoonlijk tijdens een periode:
- 3. naar binnen
- Zet de borden even in de kast.
- 4. de kleding die men draagt
- Op elke vijftig demonstranten liep er één agent in burger mee.
- De gastheer verzoekt u in jacquet te verschijnen.
- 5. het resultaat dat ontstaat: tot
- De spiegel spatte in scherven uiteen.
- Zij toverde de homp klei om in een mooie vaas.
- 6. de delen waar iets uit bestaat: uit
- Dit is een stuk in drie bedrijven.
- Het is in één woord geweldig.
- 7. het materiaal waar iets van gemaakt is: van
- Het sculptuur is uitgevoerd in hout en koper.
- 8. de kleur die iets heeft
- Er zijn opvallende accenten in rood en goud aangebracht.
- 9. wat betreft
- De vissen verschillen onderling enorm in kleur en formaat.
- 10. de wijze waarop iets beschouwd wordt
- in het kort, in detail, in grote lijnen, in één ruk, in het groot, in het klein, in het algemeen, in het bijzonder
- Hij las het boek in één ruk uit.
- 11. indien iets gebeurt
- in dat geval, in elk geval, in geen geval
- 1. iets dat iets anders bevat: binnen
- ... in
- 12. als achterzetsel: naar binnen
- het huis in
- belangrijk: strikt gesproken moet zo'n achterzetsel grammaticaal worden opgevat als een bijwoord (1.)
- 12. als achterzetsel: naar binnen
- 'in' komt in vaste combinaties met een aantal woorden in moeilijker te beschrijven betekenissen voor
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
| vnw. bijw. | |
|---|---|
| voorzetselbijwoord | in |
| neutraal | erin |
| nabij | hierin |
| veraf | daarin |
| vragend | waarin |
Bijwoord
- in
- 1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: naar binnen
- inlopen: Hij liep het huis in.
- 2. prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord: binnen
- Hij woont er al jaren in.
Afgeleide begrippen
- 1. samengestelde werkwoorden:
Bijvoeglijk naamwoord
- in
- (predicatief) hip, modieus, eigentijds, in de mode
- Grote hoeden zijn in.
Werkwoord
- in
-
- Ik in de contributie.
- In de contributie zo snel mogelijk!
Engels
Uitspraak
Voorzetsel
in
- in

