in

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: InInn, inn
[1] De appels liggen in de mand.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: in, inne
Oudnederlands: in, inna
Germaans: *in
Indo-Europees: *en
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: in (Angelsaksisch: in), Duits: in, (Oudhoogduits: in), Fries: yn (Oudfries: in, inne)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: i, (Oudnoors: í), IJslands/Faeröers: í
Oost: Gotisch: in

Voorzetsel

in

  1. iets dat iets anders bevat: binnen
    Het servies staat in de kast.
    Ik woon al twintig jaar in Utrecht.
  2. gedurende, tijdens
    1. gedurende een gehele periode, of gewoonlijk tijdens een periode:
      In de zomer dragen veel mensen een zonnebril.
      In het weekend zijn we op de camping.
    2. op enig moment binnen een periode:
      Hij werd geboren in 1985.
    3. binnen een periode, in minder tijd dan een periode:
      Ze is in drie weken vier kilo afgevallen.
  3. naar binnen
    Zet de borden even in de kast.
  4. de kleding die men draagt
    Op elke vijftig demonstranten liep er één agent in burger mee.
    De gastheer verzoekt u in jacquet te verschijnen.
  5. het resultaat dat ontstaat: tot
    De spiegel spatte in scherven uiteen.
    Zij toverde de homp klei om in een mooie vaas.
  6. de delen waar iets uit bestaat: uit
    Dit is een stuk in drie bedrijven.
    Het is in één woord geweldig.
  7. het materiaal waar iets van gemaakt is: van
    Het sculptuur is uitgevoerd in hout en koper.
  8. de kleur die iets heeft
    Er zijn opvallende accenten in rood en goud aangebracht.
  9. wat betreft
    De vissen verschillen onderling enorm in kleur en formaat.
  10. de wijze waarop iets beschouwd wordt
    in het kort, in detail, in grote lijnen, in één ruk, in het groot, in het klein, in het algemeen, in het bijzonder.
    Hij las het boek in één ruk uit.
  11. indien iets gebeurt
    in dat geval, in elk geval, in geen geval.
  12. als achterzetsel: naar binnen
    Het huis in.
    belangrijk: strikt gesproken moet zo'n achterzetsel grammaticaal worden opgevat als een bijwoord (1.)
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     in  
 persoonlijk     erin  
aanwijz.   nabij     hierin  
  veraf     daarin  
  vragend/betrekk.     waarin  

Bijwoord

in

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: naar binnen
    inlopen: Hij liep het huis in.
  2. prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord: binnen
    Hij woont er al jaren in.
Afgeleide begrippen

Bijvoeglijk naamwoord

in

  1. (predicatief) hip, modieus, eigentijds, in de mode
    Grote hoeden zijn in.

Werkwoord

vervoeging van
innen

in

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van innen
    Ik in.
  2. gebiedende wijs van innen
    In!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van innen
    In je?


Duits

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Middelhoogduits en Oudhoogduits

Bijwoord

in

  1. drin, drinnen (binnen de lijnen)
  2. herein, hinein (in een richting naar binnen)
    «Sie Sängerin geht in den Saal hinein
    De zangeres komt de zaal in.
  3. in (in de mode zijn)

Voorzetsel

in

  1. in + datief: geeft een toestand aan
    «Er wohnt in diesem Haus.»
    Hij woont in dit huis.
  2. in + accusatief: geeft een richting aan die men ingaat (ruimtelijk)
    «Er geht in das Haus.»
    Hij loopt het huis in.
  3. in (tijdelijk)
  4. in (voor een getal of hoeveelheid)
  5. in (als vast voorzetsel bij andere woorden)
Typische woordcombinaties
  • [2]: in die Garage setzen
in de garage zetten
  • [3]: im Jahr 2014
in het jaar 2014
  • [4]: in acht Stücke aufteilen
in acht stukken verdelen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: Das will mir nicht in den Schädel.
    Das will mir nicht in den Kopf.
Dat wil er bij mij niet in.


Engels

Naar frequentie 6
Uitspraak

Voorzetsel

in

  1. in


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /ɪn/ (Etsbergs)

Bijwoord

in

  1. binnen
  2. binnenin

Voorzetsel

enkelvoud meervoud
bepaald geheel inne inner
gemut. - -
onbepaald geheel in in
gemut. - -

in + accusatief/datief

  1. in
  2. binnen


Paltsisch

Voorzetsel

in

  1. in
    «Es Land esch seit 1955 Mitglied in de UNO un seit 1995 in de EU.»
    Het land is sinds 1955 lidstaat van de UNO en sinds 1995 van de EU.


Pennsylvania-Duits

Voorzetsel

in

  1. in

.Deitschland iss en Land in Eiropaa.

Duitsland is een land in Europa.


Retoromaans

Lidwoord

in

  1. een