uithouden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·hou·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uithouden |
hield uit |
uitgehouden |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
uithouden
- (onovergankelijk) langdurig moeilijkheden verdragen of belasting dragen
- Mijn auto heeft het daana niet zo lang meer uitgehouden.