uitzetten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·zet·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitzetten |
zette uit |
uitgezet |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
uitzetten
- (ergatief) (natuurkunde) in volume toenemen
- Bij verhitting zetten de meeste materialen uit.
- (overgankelijk) iemand dwingen een gebied of gebouw te verlaten
- Hij werd zonder pardon de zaal uitgezet.
- (overgankelijk) het uitschakelen van een elektrisch toestel
- Ik heb het theelichtje uitgezet.
Synoniemen
- [3] afschakelen, uitschakelen
Antoniemen
- [1] krimpen
- [3] aanzetten, inschakelen
Vertalingen
1. in volume toenemen
2. iemand dwingen een gebied of gebouw te verlaten
Zelfstandig naamwoord
uitzetten mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord uitzet