uitzetten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·zet·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitzetten
zette uit
uitgezet
zwak -t volledig

Werkwoord

uitzetten

  1. (ergatief) (natuurkunde) in volume toenemen
    Bij verhitting zetten de meeste materialen uit.
  2. (overgankelijk) iemand dwingen een gebied of gebouw te verlaten
    Hij werd zonder pardon de zaal uitgezet.
  3. (overgankelijk) het uitschakelen van een elektrisch toestel
    Ik heb het theelichtje uitgezet.
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

uitzetten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord uitzet
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen