uitweg
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·weg
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | uitweg | uitwegen |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
- een weg die leidt uit een omsloten ruimte
- Het verzakte stuk omheining bood het vee een uitweg uit de weide.
- overdrachtelijk een manier om uit een benarde situatie te geraken
- Door zijn grote schulden zag hij gewoon geen uitweg meer.