uitweg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·weg
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van weg met het voorvoegsel uit-
enkelvoud meervoud
naamwoord uitweg uitwegen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

uitweg v/m

  1. een weg die leidt uit een omsloten ruimte
    Het verzakte stuk omheining bood het vee een uitweg uit de weide.
  2. overdrachtelijk een manier om uit een benarde situatie te geraken
    Door zijn grote schulden zag hij gewoon geen uitweg meer.