uitslapen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·sla·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitslapen
sliep uit
uitgeslapen
klasse 7 volledig

Werkwoord

uitslapen

  1. (inergatief) 's ochtends langer slapen dan normaal
    Ik ga morgen zeker uitslapen.
Vertalingen