uitbaten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ba·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitbaten
baatte uit
uitgebaat
zwak -t volledig

Werkwoord

uitbaten

  1. (overgankelijk) de economische mogelijkheden van iets winstgevend benutten
    Celstraffen voor Nederlanders die cannabisplantages uitbaatten.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen