uitproberen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·pro·be·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitproberen
probeerde uit
uitgeprobeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

uitproberen

  1. (overgankelijk) van tevoren proberen of het bevalt
    Ze wilden de boot eerst uitproberen voordat ze ermee op vakantie gingen.
Verwante begrippen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen