uitvaren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • uit·va·ren

Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitvaren
voer uit
uitgevaren
klasse 6 volledig

uitvaren

  1. (ergatief) met een vaartuig een nauw water, zoals een haven verlaten
    Zij voeren de sluis uit.
  2. (ergatief) zijn zelfbeheersing verliezen en meer zeggen dan verstandig is
    Toen hij dat hoorde voer hij uit tegen haar dat de glazen er van rinkelden.
  3. arch. een uitvaart houden, naar het graf vervoerd worden
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen