uitvaren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- uit·va·ren
Werkwoord
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitvaren |
voer uit |
uitgevaren |
| klasse 6 | volledig | |
uitvaren
- (ergatief) met een vaartuig een nauw water, zoals een haven verlaten
- Zij voeren de sluis uit.
- (ergatief) zijn zelfbeheersing verliezen en meer zeggen dan verstandig is
- Toen hij dat hoorde voer hij uit tegen haar dat de glazen er van rinkelden.
- arch. een uitvaart houden, naar het graf vervoerd worden
Vertalingen
2. zijn zelfbeheersing verliezen en meer zeggen dan verstandig is