uitgroeien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·groei·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitgroeien
groeide uit
uitgegroeid
zwak -d volledig

Werkwoord

uitgroeien

  1. (ergatief) geleidelijk groter worden, zich ontwikkelen tot iets
    Het eenmanswinkeltje is nu uitgegroeid tot een winkelketen.
  2. (ergatief) ophouden met in de groei zijn
    Die operatie heeft pas zin als je uitgegroeid bent.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen