uitbuiten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| uitbuiten | uitbuitend |
| uitbuiting | uitgebuit |
Woordafbreking
- uit·bui·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitbuiten |
buitte uit |
uitgebuit |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
uitbuiten
- (overgankelijk) op nietsonziende wijze zijn voordeel doen van de omstandigheden van iets of iemand
- Het is goed mogelijk dat de in het nauw gebrachte Libische leider de gevangenname van de Nederlandse militairen zal proberen uit te buiten.