uitval

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·val
enkelvoud meervoud
naamwoord uitval uitvallen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

uitval m

  1. (militair) plotselinge actie vanuit een fort of belegerde stad
    De uitval kwam als een volslagen verrassing.
  2. plotselingen uitbarsting van woede
    Die uitval werd hem niet in dank afgenomen.
  3. ophouden te functioneren, niet tot wasdom komen
    Er is veel uitval onder de eerstejaars.

Werkwoord

vervoeging van
uitvallen

uitval

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitvallen
    ... dat ik uitval.