uitstap
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·stap
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | uitstap | uitstappen |
| verkleinwoord | uitstapje | uitstapjes |
Zelfstandig naamwoord
uitstap m
- (meestal verkleinwoord) een (meestal korte) reis
- Ik maak een uitstapje naar zee vandaag.
- het verlaten van een verband of een voertuig
- De in opspraak gebrachte politicus maakt een uitstap.
Antoniemen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| uitstappen |
uitstap
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitstappen
- ... dat ik uitstap.
Vertalingen
1. het verlaten van een verband of een voertuig