uitstap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·stap
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van stap met het voorvoegsel uit-.
enkelvoud meervoud
naamwoord uitstap uitstappen
verkleinwoord uitstapje uitstapjes

Zelfstandig naamwoord

uitstap m

  1. (meestal verkleinwoord) een (meestal korte) reis
    Ik maak een uitstapje naar zee vandaag.
  2. het verlaten van een verband of een voertuig
    De in opspraak gebrachte politicus maakt een uitstap.
Antoniemen

Werkwoord

vervoeging van
uitstappen

uitstap

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitstappen
    ... dat ik uitstap.
Vertalingen