uitkleden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·kle·den
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitkleden |
kleedde uit |
uitgekleed |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
uitkleden
- (wederkerend) zich ~ de eigen kleding afnemen
- Hij had zich net uitgekleed om naar bed te gaan.
- (overgankelijk) van kleding ontdoen
- Zij kleedde haar kindje uit en legde hem in zijn bedje.
- (overgankelijk) overdrachtelijk iemand financieel zwaar benadelen
- Hij werd door die woekeraar helemaal uitgekleed.