uitstrekken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·strek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitstrekken
strekte uit
uitgestrekt
zwak -t volledig

Werkwoord

uitstrekken

  1. zich uitstrekken betekend zich zo lang en breed mogelijk maken uitrekken
  1. iets kan zich over een bepaalde tijd of plaats uitspreiden.
    De verleiding wordt geflankeerd door een stevige dadelpalm en speelt zich af onder volgeladen vruchtenbomen met dichtbebladerde kronen, die zich over Eva uitstrekken.
    Alle ecosystemen op aarde zijn immers het resultaat van zeer lange ontwikkelingen die zich over honderden miljoenen jaren uitstrekken.
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen