uitputten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·put·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitputten
putte uit
uitgeput
zwak -t volledig

Werkwoord

uitputten

  1. (overgankelijk) volledig leeghalen
    Zij putten de mijn volledig uit.
  2. (overgankelijk) alle energie opgebruiken
    De hele dag hardlopen putte hem behoorlijk uit.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen