uitstel
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- uit·stel
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| uitstellen |
uitstel
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitstellen
- ... dat ik uitstel.
| vervoeging van |
|---|
| uitstellen |
uitstel