uitstel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Woordafbreking
  • uit·stel

Werkwoord

vervoeging van
uitstellen

uitstel

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitstellen
    ... dat ik uitstel.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen