uitnodigen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: uitnodigen (hulp, bestand)
- IPA: /'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
Woordafbreking
- uit·no·di·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitnodigen /'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/ |
nodigde uit /'no.dəɣ.də 'ʔʌʏt/ |
uitgenodigd /'ʌʏt.xə.no.dəxt/ |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
uitnodigen
- (overgankelijk) iemand verzoeken iets bij te wonen
- Hij nodigde hen uit voor een belangrijke bijeenkomst.