uitkomen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·ko·men
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitkomen |
kwam uit |
uitgekomen |
| klasse 4 | volledig | |
Werkwoord
uitkomen
- (ergatief) naar buiten komen
- De doelman was zijn doel uitgekomen.
- (ergatief) in druk verschijnen (bijvoorbeeld van tijdschriften)
- Het tweede deel is net ook uitgekomen.
- (ergatief) tevoorschijn komen, uitlopen (bijvoorbeeld van knoppen van planten)
- De narcissen staan te bloeien, maar de tulpen moeten nog uitkomen.
- (ergatief) (bij eieren) opengaan, opengebroken worden door het jong
- Over het algemeen is het zo dat de eieren van regenboogvissen niet uitkomen in daglicht.
- het bekend worden van (slechte) dingen
- iets als resultaat hebben
- rondkomen
- (ergatief) gelegen komen
- Komt het je nou wel uit.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
5. het bekend worden
6. iets als resultaat hebben
7. rondkomen
8. gelegen komen